Biografie Lucie van Dam van Isselt


Door Francisca van Vloten, conservator en adviseur van het MTVP Museum in Domburg en adviseur en (bestuurs-)lid van Europese organisaties op kunst- en cultuurgebied. Francisca van Vloten schrijft een proefschrift over Domburg als badplaats en kunstenaarskolonie in Europees verband.


Lucie van Dam van Isselt is op 15 juni 1871 in Bergen op Zoom geboren en bracht haar jeugd in Kampen door, waar ze haar eerste tekenlessen kreeg van de schilder en tekenleraar Johannes Daniël Belmer (1827-1909). Ze volgde van 1891 tot 1894 een opleiding aan de Haagse Academie en begon vanaf dat laatste jaar te exposeren, voornamelijk tekeningen. In 1892, tijdens haar opleiding, trouwde ze met de eveneens schilderende Evert Ekker (1858-1943). Uit dit zeer ongelukkige huwelijk werden twee zoontjes geboren, in 1899 Evert jr. en in 1901 Martin Hendrik. Het echtpaar Ekker-van Dam van Isselt was intussen in 1900 van Den Haag naar Renkum verhuisd, naar de Villa De Beekhof die over een atelier voor beiden beschikte. Toen Lucie de familiesituatie niet langer kon verdragen, vroeg ze een scheiding aan. In die dagen was dat een schande voor de vrouw, die bovendien nauwelijks rechten had. Lucie moest haar kinderen achterlaten. Na de scheiding vestigde zij zich in 1907 in Veere.

Tussen 1907 en 1911 heeft zij aan geen enkele tentoonstelling deelgenomen, deze periode beschouwde ze later voornamelijk als een studie- en bezinningstijd. Nieuw elan kreeg ze van de Belgische kunstenaar Théo van Rijsselberghe (1862-1926). Op zijn aanraden verbreedde zij in 1908 haar werkterrein door bij haar oude vriend Auguste Morisot (1857-1951), hoogleraar aan de Ecole des Beaux Arts in Lyon, les te nemen in schilderen, etsen en lithograferen. Vermoedelijk heeft zij en route ook enige tijd in Parijs doorgebracht.

In mei 1909 hertrouwde zij met de criticus Albert Plasschaert (1874-1941). De erudiete maar uiterst arrogante en soms onuitstaanbare Plasschaert heeft met zijn kritieken en overzichtswerken een belangrijke rol gespeeld in de Nederlandse kunstwereld van eind negentiende, begin twintigste eeuw.

Tijdens een reis door Italië in 1911 zag Lucie in de Galleria degli Uffizi in Florence Titiaans Flora uit 1515, ‘die blanke, rossige vrouw met dat boeketje primula’s in de hand’. Op dat moment besefte zij, aldus haar vriendin en collega Jeanne Bieruma Oosting (1898-1994) in later jaren, dat zij geestelijk en ambachtelijk niet verder kon reiken dan ‘dat merveilleus geschilderde tuiltje bloemen’. Men kan zich afvragen in hoeverre Plasschaert, die Lucie op de reis door Italië vergezelde, aan dit besef heeft bijgedragen. Lucie besloot zich te specialiseren in het schilderen van bloemen en kleine stillevens; haar debuut daarmee maakte zij op de eerste Domburgsche Tentoonstelling.

Lucie kwam met vijf stillevens op de expositie van 1911, volgens de Middelburgsche Courant ‘rustig werk, aangenaam van toon en verdienstelijk in het weergeven van de stof’. Wel had er, aldus de recensent, iets meer afwisseling in de onderwerpen kunnen zijn.

De waardering voor de stofuitdrukking, de fijngevoelige sfeertekening en naast de schilderijen het bijzondere etswerk van Lucie komt door de jaren heen regelmatig terug in de besprekingen. In 1913 zond zij maar liefst tien werken met Veere als onderwerp en vier stillevens in, voor de Middelburgsche Courant waren die enigszins een teleurstelling, maar N.H. Wolf liet zich in De Kunst na enkele kanttekeningen ook positief uit: ‘Uit Paddestoel en Uit mijn venster blijkt evenwel, dat deze jongedame […] voldoende talent en fijn kleurgevoel heeft om zich aan grooter, belangrijker werk te wagen, met hetwelk ik dan op een volgende tentoonstelling gaarne nader zal kennis maken.’

De Middelburgsche Courant zag dat in 1916 weer anders:’ Mevrouw L. van Dam van Isselt schildert, gelijk vele dames, met het meeste succes stillevens, met name bloemen. Met vrucht penseelt zij echter ook andere onderwerpen, waarvan o.a. de Kerk van Veere, een doek met veel atmospheer, getuigenis aflegt. De kleuren dezer schilderes zijn steeds uiterst beschaafd, zoodat het beschouwen van haar werken steeds een genot is.’  Zelden kwamen er diepe rimpels in het kalme water van de waardering voor Lucie’s werk, wel ontlokte bijvoorbeeld een schilderijtje van een cactus, tentoongesteld in 1920, weer tegenstrijdige reacties: van ‘een overdacht schilderij van een cactus, minutieus bekeken en in dit allerscherpste licht aan zee gevoelig gebleven van toon’ tot ‘de te uitvoerige studie van een cactus’.

In de aanloop tot de Eerste Wereldoorlog en de jaren daarna kwam er een verandering in Lucie’s werk, ze ontwikkelde een voorkeur voor grijzen en witten. Daarin werd ze gestimuleerd door de Vlaamse kunstenaar Walter Vaes (1882-1958), een van de schilders die ’s zomers met hun zeilboot Veere aandeden.

In 1915 ontstonden de eerste scheuren in de relatie tussen Albert Plasschaert en Lucie. Plasschaert had een sterke kinderwens waarvoor Lucie begrip had. Zij raakte gedeprimeerd en voelde het gemis van haar eigen kinderen nog sterker. Eens had ze haar zoontjes onverwacht gezien en in een tekenschrift genoteerd: ‘Vandaag heb ik ze gezien, de jongetjes, míjn jongetjes, het was op een vernissage, ze stonden wat achteraf in een hoek, Tik  [Martin] had een te grote broek aan, ik ben weggevlucht.’

In het najaar van 1922 kwam het tot een scheiding, Plasschaert hertrouwde enkele weken later met de drieëntwintig jaar jongere Middelburgse Cornelia Gevers. ‘Ik heb altijd geweten’, zei Lucie daarover, ‘dat ik A. aan zijn kinderwens zou verliezen.’ Tijdens hun huwelijk had Plasschaert Lucie’s werk wel genoemd maar nimmer besproken, enkele weken na de echtscheiding verscheen de eerste kritiek. Aanvankelijk noemde hij haar werk nog ‘innig en zuiver’, maar de kritieken werden steeds scherper van toon. Desondanks zijn Lucie en hij tot Alberts dood in 1941 bevriend gebleven.

Omstreeks 1918 heeft Lucie’s oudste zoon Evert haar opgezocht, in 1924 gevolgd door zijn broer Martin, met als gelukkig gevolg een voortdurend contact.

Lucie’s mooie Veerse huis met de prachtige tuin vol duizendschonen, haar lievelingsbloemen, bleef een ontmoetingspunt voor kunstenaars, van de dichter P.C. Boutens en de jonge componist Alex Voormolen (1895-1980) tot haar collega’s Jeanne Bieruma Oosting en Roline Wichers Wierdsma.

In 1933 verhuisde Lucie naar Den Haag, tot de tweede Wereldoorlog maakte zij veel buitenlandse reizen. In haar werk waren de witten en grijzen aan nuanceringen onderhevig, in de jaren twintig waren zij lichter, bijna doorschijnend geworden, in de jaren dertig neigde het wit naar geel en tijdens de oorlog werd het koeler van tint. Lucie weigerde toe te treden tot de Kultuurkamer. In februari 1945 werden haar huis met atelier zwaar beschadigd bij een bombardement, Lucie verhuisde binnen Den Haag. Na de oorlog begon zij weer te exposeren, in de zomer van 1948 had zij haar laatste eenmanstentoonstelling in Den Haag.

In een gesprek met de schrijver Ben van Eijsselsteijn, die de desbetreffende tentoonstelling opende, vertelde Lucie dat er twee personen in haar verenigd waren: ‘de dame, wonende in de lichte, sfeervolle woonkamer vóór […] en de andere joffer, werkende achter bij het venster, tusschen haar doeken en tuben en penseelen.’ De eerste dame was gesteld op orde en regelmaat en de joffer alleen op het scheppen, met verwaarlozing van haar uiterlijk en omgeving. Lucie gebruikt de termen ‘dame’ en ‘joffer’ enerzijds als synoniemen, anderzijds geeft zij er toch ook een kwalificatie aan. Zoals men aan de Domburgse dames en Veerse joffers in zoverre een kwalificatie kan geven dat men Domburg als de chiquere van de twee kunstenaarsdorpen zou kunnen omschrijven.

In het najaar van 1948 werd Lucie ziek, zij stierf in juni 1949, enkele dagen voor haar 78ste verjaardag.

 

Naast bovenstaande biografie van Francisca van Vloten verwijzen wij graag naar deze beknopte biografie uit de catalogus & monografie Een leven in stillevens.

Portret van Lucie door Jan Toorop (1905)

Ik heb vannacht zo’n mooi schilderij gemaakt. Ik hoef het alleen nog maar te schilderen.

Een nog jonge Lucie in haar atelier (ca. 1900)

Lucie over de uitersten in haar karakter als over twee personen die in haar verenigd zijn:

de dame, wonende in de lichte, sfeervolle woonkamer vóór (...) en de andere joffer, werkende achter bij het venster, tusschen haar doeken en tuben en penseelen. De eerste dame, gesteld op orde, regelmaat en netheid, de joffer op niets gesteld dan enkel op het werken, het scheppen, geen acht slaande op rommel, uiterlijk slordiger en uiterlijk nonchalanter op de dingen in haar omgeving, naarmate zij heviger en directer door de kracht van dat scheppen werd aangegrepen ...

Lucie in 1907

Een interieur getuigt van een echt gevoel voor schoonheid van de bewoner. Niet door de aanwezigheid van mooie dingen – die kan iedereen kopen – maar door de afwezigheid van storende lelijke dingen.

Lucie op ca. 77-jarige leeftijd